De nieuwbouw van de openbare lagere school te Heesselt 1854-1857
door R.H.C, van Maanen
Goede schoolgebouwen zijn een eerste vereiste
wanneer men de jeugd wil onderrichten.In de negentiende eeuw mankeerde het
geregeld aan geschikte lokalen. Vaak waren deze te donker en te klein voor het
aantal leerlingen. Ook het meubilair liet nogal eens te wensen over. In 1841
bracht de hoofdinspecteur voor onderwijs Wijnbeek een rapport uit aan de
minister van Binnenlandse Zaken over zijn bevindingen in 1840.'
Hij was de gehele provincie doorgereisd om
te zien hoe het onderwijs erbij stond. Zo ook in de gemeente Varik. En wat hij
te Heesselt constateerde, loog er niet om.
Wat schreef hij namelijk (p.183-184) 'Te Heesselt is een vierkant schoollokaal.
Alles is hier uitermate slecht. Er staan
maten voor drooge waar, doch zij worden niet beoefend. De onderwijzer, J. Bruin
heeft geen rang. Hij is aangesteld in 1803. De man ziet er zwak uit en scheen
niet volkomen nuchter. Er waren niet meer dan 33 kinderen. Kerkelijk behoort
Heesselt onder Opijnen, burgerlijk onder
Varik'. Duidelijke taal, maar wat deden het college van burgemeester en
wethouders en de gemeenteraad eraan?
De school te Heesselt telde op 15 januari 1854 36 en op 15 juli geen
leerlingen; vermoedelijk als gevolg van oogstverlof.
In de raadsvergadering van 5 december bracht de burgemeester de 'ongunstige'
staat waarin de school en onderwijzerswoning te Heesselt verkeerde onder de
aandacht van de raadsleden. Volgens hem was het hoog tijd dat daarin zo snel
mogelijk 'op de minst bezwarende doch op eene doelmatige wijze' werd voorzien.
Hij koesterde al lange tijd het voornemen het onderwerp ter sprake te brengen,
maar het tekort aan beschikbare gelden had dit belet. Weliswaar was dit laatste
nog steeds een probleem maar wanneer de
N.H. gemeente te Heesselt meewerkte en men kon rekenen op provinciale en
rijkssubsidies kon het financiële probleem grotendeels uit de weg worden
geruimd. In het betoog van de burgemeester kwam onder meer het 'nuttig,
noodzakelijke en noodige van een herbouw' aan de orde. De kerkenraad en
kerkvoogden waren het met de burgemeester eens en verklaarden tot krachtdadige
medewerking bereid te zijn. Burgemeester
en wethouders werden uitgenodigd een voorlopig plan te beramen en het advies van
een deskundige in te winnen, met name of men kon
volstaan met reparaties in plaats van nieuwbouw!
De kerkenraad en kerkvoogdij hadden een grote vinger in de pap. In dezelfde raadsvergadering was namelijk Aris Bernardus Dibbits geboren te Arnhem en oud 27 jaar voorgedragen om te worden benoemd tot onderwijzer te Heesselt. Hij was in het bezit van de tweede schoolonderwijzersrang en op dat moment nog werkzaam op de openbare stadsarmenschool te Leiden. Dibbits zou bovendien worden benoemd tot koster en voorzanger onder het genot van een traktement te betalen uit de kerkelijke fondsen. Men pakte het voortvarend aan. Op 23 december kwam het onderwerp weer ter spra-

Tekening van de nieuwbouw, gedateerd 29 januari
1856.
ke in de raad. De burgemeester
verklaarde dat hij zich samen met de wethouders 'onledig' had gehouden met het
plan voor nieuwbouw, iets wat al heel lang nodig was, maar uitgesteld was wegens
gebrek aan de benodigde fondsen.
Ze hadden de Geldermalsense architect R.C.
Murman gevraagd beide gebouwen te onderzoeken. Zijn antwoord loog er niet om:
'dat deze heeft verklaard dat het schoolgebouw door ouderdom en verval
geheel ondoelmatig ja zelfs geacht kan worden
onbruikbaar en naadelig voor de gezondheid te zijn en het woonhuis mede om
dezelfde redenen, dat alles mist wat voor een woonhuis voor een fatsoenlijke
familie een groot vereischte is'! Reparatie was dan ook uit den boze, nieuwbouw
moest het worden. Murman was vervolgens gevraagd een voorlopige kostenberekening
op te stellen rekening houdend met de 'meeste spaarzaamheid'.
Uitslag ƒ l .600 voor de school en ƒ 1.700 voor de woning, dus in totaal ƒ 3.300.
De financiering werd als volgt geregeld. Een derde van het totale bedrag wilde men dekken door het perceel grond kad. sec. C nr. 41 te verkopen en via een af te sluiten rekening. Voor de resterende tweederde rekende men op provinciale en rijkssubsidies. Burgemeester en wethouders werd opgedragen de zaak naar behoren af te handelen. Murman maakte vervolgens opnieuw een begroting. Nu kwam men al uit op ƒ 3.843,16. In de raadsvergadering van 12 januari 1855 werd hierop geen commentaar geleverd.
Het Heesseltse kerkbestuur kwam haar gedane
toezegging na. In plaats van bij te dragen in de kosten van nieuwbouw van een
school en onderwijzerswoning, had zij besloten uit haar eigen middelen een
nieuwe kosterswoning te bouwen. De onderwijzer was zoals we eerder hebben gezien
ook koster. Voor de gemeente resteerde dus de school. Blijkbaar
was er enige twijfel over de noodzaak ontstaan, want de burgemeester vroeg nog
eens of de raad het er nog mee eens was dat de nieuwe school er zo snel mogelijk
kwam.
Ja, luidde het antwoord op 15 februari eensluidend. Burgemeester en wethouders
mochten het verder afhandelen als het maar
zo goedkoop mogelijk was. Toch ging er een
en ander mis. Op 15 maart liet Gedeputeerde Staten weten geen subsidieverzoek
in behandeling te nemen als de toegezegde tekening en het bestek niet werden
opgestuurd en dat het onderwerp in ieder geval niet op de agenda van de
aanstaande zomervergadering stond. Desgevraagd verklaarde de burgemeester op 24
april dat de toezending was vertraagd doordat de kerkvoogden het bouwplan hadden
aangepast. De vertraging was aanzienlijk.
Pas op 20 november komt het onderwerp weer in de raad ter sprake. Aan
burgemeester en wethouders werd opgedragen een concept voor een subsidieverzoek
aan de kroon op te stellen.
Zo gezegd zo gedaan. Op donderdag 13 december werden de brief aan de koning
behandeld en besluit tot de bouw
behandeld. We zijn dan inmiddels al een jaar verder.
Gelet op de 'hoogstbouwvalligen' staat en de ondoelmatige inrichting van de
gebouwen waarbij het gebruik niet van enig gevaar was ontbloot en 'tevens geacht
moet worden op de gezondheid der zich daarin bevindenden een zeer nadeeligen
invloed uit te oefenen' besloot men tot nieuwbouw uitgaande van ƒ 2.462,58. In
dit bedrag was overigens ook nieuw schoolmeubilair meegenomen daar het oude
'ameublement daarin voorhanden mede in
eenen gebrekkigen toestand verkeert en tevens ontoereikende is om in de
bestaande behoefte te voorzien'.
Als men dit leest, dan was het inderdaad de hoogste tijd dat een en ander
vervangen werd. De benodigde gelden waren er nog steeds niet, ondanks dat de
ontwerpen getuigden van de meeste 'spaarzaamheid'. Er zou echter geen
paal de grond ingaan zonder dat er duidelijkheid
was over de rijks- en provinciale subsidies,
aldus de opdracht aan burgemeester en wethouders.
Aan de koning werd een uitvoerige bedelbrief geschreven. Men gaf te kennen dat
het schoolgebouw in een bouwvallige staat
verkeerde en dat het vermoedelijk meer dan twee eeuwen als zodanig was gebruikt.
Nieuwbouw stond in de raad al geruime tijd op de agenda en men was bezig om de
benodigde financiën bijeen te brengen. De vochtigheid
van het bestaande lokaal en de te beperkte ruimte
was hoogst schadelijk voor de gezondheid
van de onderwijzer en de scholieren en bovendien voldeed het lokaal niet meer
aan de gestelde eisen door de ondoelmatige
inrichting. Volgens de raad was de gemeente
Varik niet in staat de nieuwbouw te financieren
zonder een drukkende schuldenlast, reden
waarom men de kroon vroeg om een subsidie ter grootte van ƒ 820,86 of elk ander
bedrag dat de kroon behaagde. Ook Gedeputeerde Staten werd om subsidie verzocht.
Op 5 maart 1856 meldde de burgemeester dat
dankzij de bemiddeling van het 'Bestuur van den Waterstaat' gunstige
beschikkingen waren te verwachten op de gedane subsidieverzoeken.
Nu was het aan de raad het resterende derde deel
van de begrootte aanbouwsom bijeen te sprokkelen. Dat geld was er nog steeds
niet. Er stonden twee mogelijkheden open:
1. het aangaan van een geldlening;
2. het verkopen van gemeente-eigendommen.
De voorkeur van de burgemeester ging naar het laatste uit. De gronden leverden in verhouding tot de hoge grondprijzen op dat moment geen evenredige inkomsten op en dus zou het in het belang van de gemeente zijn de landerijen van de hand te doen. De raad volgde het advies op en besloot de Breed- en Smal Wavel liggende onder Heesselt kad. sec. C nrs. 41,41bis, 47 en 47bis te verkopen wanneer dit uitkwam mits Gedeputeerde Staten hiermee instemde.
Op 30 juli kwam het verlossende antwoord uit
Arnhem. Gedeputeerde Staten verleenden een subsidie van ƒ 880. Maar van de kroon
was nog geen antwoord ontvangen en de
burgemeester stelde de raad dan ook op 27 augustus voor de aanbesteding uit te
stellen tot het aanstaande voorjaar 'in
het vertrouwen dat de hooge Regering in dien tusschen
tijd gunstig zal hebben beschikt'.
De gemeenteraad volgde braaf zijn advies op. De
Wavel, op 24 september omschreven als 'thans van
water bevrijdt' en dus weer geschikt werd verpacht. Drie maanden later, op 18
december, besloot de raad de Wavel te verkopen.
De bouwsom werd nu als ƒ 2.640,73 omschreven. De landerijen waren in niet al te
beste staat als we de notulen mogen geloven, veroorzaakt door 'vergravingen' ten
behoeve van de Waaldijk. Nu kon men met aanzienlijke kosten deze gronden wel in
betere zij het geen gunstige staat brengen, met het gevaar dat bij onverhoopte
afslag van de dijk nieuwe vergravingen het
gedane werk voor niets was geweest.
We zijn nu inmiddels drie jaar verder en nog
steeds is er niets wezenlijk gebeurd als 1857 aanbreekt. Op 6 januari machtigde
Gedeputeerde Staten de gemeente de Wavel te mogen verkopen.
Aan Bart van 't Hooft, timmerman in Varik, werd op 8 april tijdens een openbare
aanbesteding in het huis van de weduwe Van der Zandt voor ƒ 2.258 de nieuwbouw
gegund. Dit is bevreemdend, want van de kroon was nog geen besluit ontvangen. De
Wavel werd voor ƒ 1.060 tijdens een openbare veiling op 26 mei verkocht aan A.G.
en B. van Zwol. De gemeente Varik kwam nu echter toch in financiële
moeilijkheden. Men beschikte nog steeds
niet over voldoende middelen om de in termijnen vastgestelde aannemingssom
geheel te kunnen te voldoen. Weliswaar
beschikte men op papier over ƒ 880 (provinciale subsidie) en ƒ 1.060 (verkoop
Wavel), maar deze gelden waren nog niet beschikbaar terwijl de eerste
betalingstermijn was verstreken en de tweede termijn aanstaande was.
Op 9 juni besloot de gemeenteraad Gedeputeerde
Staten om toestemming te vragen een geldlening groot ƒ 1.000 tegen 5% te mogen
aangaan af te lossen zodra de genoemde gelden beschikbaar kwamen. Vermoedelijk
is dit besluit niet uitgevoerd want zaterdag 3 oktober kwam het onderwerp weer
ter sprake. De bouw was aanbesteed voor ƒ 2.258 te vermeerderen met ƒ 100 voor
overwerken en toezicht. Driekwart van dit bedrag moest in de loop van oktober -
'binnen zeer weinige dagen' - voldaan zijn en de resterende kwart binnen twee
maanden daarna. De ƒ 1.060 verkregen uit de verkoop van de Wavel
was al aan de aannemer ter hand gesteld en de
gemeentekas was leeg. De toegezegde provinciale subsidie was nog niet binnen en
van het rijk was nog niets vernomen. Er zat
dus niets anders op dan een tijdelijke lening aan
te gaan ter grootte van ƒ 1.000. Waarom het eerdere raadsbesluit van 9 juni niet
was uitgevoerd, wordt niet vermeld. Vermoedelijk is men er van uit gegaan dat de
provincie eerder tot betaling zou overgaan. Op 26
oktober stemde Gedeputeerde Staten met de lening
in en burgemeester en wethouders werden
met de verdere afhandeling belast.
Voor ƒ 100 was de aannemer eigenaar geworden van het oude schoollokaal dat hij
moest afbreken en opruimen. De bij de sloop vrijkomende stenen mochten, mits
goed schoon gebikt, gebruikt worden voor
de fundamenten van het nieuwe gebouw. De overige sloopresten bleven zijn
eigendom. Uit het bestek bleek dat de school 11,16 lang en
5,91 meter breed moest worden. De zijgevels waren
3,80 en de eindgevels 6,80 meter hoog. De fundamenten moesten een meter beneden
peil zuiver waterpas in de bodem worden gelegd waarbij de grond zo min mogelijk
moest worden geroerd. De vloeren in het schoolgebouw bestonden uit de eerste
soort blauwe Utrechtse vloertegels in zuiver verband gemetseld in basterdtras en
met vlak geschuurde voegen. Het gebouw werd
voorzien van de eerste soort blauwe
gelijkkleurige dakpannen en vorsten zuiver geklonken waarbij de vorsten met
blauwe zoomkalk moesten worden bestreken. Voor de fundamenten diende eerste
soort rode stenen te worden gebruikt in kalkmortel gelegd, voor de buitenmuren
eerste soort hardgrauwstenen in basterdtras en voor de binnenmuren
eerste soort boerengrauwsteen in kalkmortel en
voor het trasraam tenslotte eerste soort klinkerstenen in sterke tras. Ook de te
gebruiken kleuren werden vastgelegd. Al het ijzerwerk en houtwerk dat met
metselwerk in aanraking kwam moest twee keer worden gemenied. Voor binnen was
het lichtgrijs en buiten waren de goten en kozijnen Bentheimer steengeel en de
deuren en ramen donkergroen. De tafels en banken worden donker houtkleur en de
bovenbladen donkergrijs. Ook de eisen en aantallen waaraan het schoolmeubilair
moest voldoen, werd vastgelegd. Zo kwam er een schrijfbord om met
krijt op te schrijven en een dito voor muziek.
Op 22 oktober kwam de levering van nieuw schoolmeubilair vóór de scholen te Varik en Heesselt in de raad aan de orde. G.H.Verbeek, timmerman wonende te Varik, mocht dit voor ƒ116 leveren.
In het gemeentejaarverslag over 1857 luidde het dat de school zeer goed voldeed, het rijk had nog steeds geen beslissing genomen. Of het Rijk ooit een subsidie heeft verstrekt, heb ik niet kunnen terugvinden. Maart 1858 bleek dat de school te Heesselt door 26 leerlingen werd bezocht, die te Varik door 62. Een andere staat daarentegen vermeldt voor januari 36 jongens en 28 meisjes en in juli 5 jongens en 7 meisjes.
Noot
1. Reinsma, R. 'Het onderwijs in Gelderland tussen 1830 en 1850 volgens de
rapporten van de hoofdinspecteur Wijnbeek' in: Bijdragen en Mededelingen,
Gelre, deel LXV (1971). S. Gouda
Quint - D. Brouwer en Zoon, Arnhem, 1971, p.152-195.
Bron
- Archief gemeente Varik 1811-1926 inv.nrs. 15, 25, 616-620,1640 en 1657 (Streekarchivariaat West-Betuwe locatie Neerijnen).