‘ Mijn Dreumels’: vaen alles wač
In een pil van krap twee­honderd bladzijden, haalt Nico de Jong uit Varik herinneringen op aan zijn geboortedialect, het Dreumels. Vervat in een ringband, want De Jong wil er nog aan kunnen sleutelen.


Feitelijk zijn ze het leukst van het hele boek, de typisch Dreumelse gezegdes (voor zover ze dat zijn, tenminste) die verspreid over alle bijna tweehonderd bladzijden te vinden zijn.
‘Aes Bure bračnt is ’ t ok Aesch’

Waarheden als een koe, vervat in een enkel zinnetje. Heerlijk.
‘ Vülen is fies, mar fies füle is fijn’.

Die ik, eveneens geboren en getogen in het tegenover Ophemert liggende Dreumel, dan weer ken, eindigend op ‘ fies fijn’.
Het geeft meteen het probleem weer, waar De Jong zich goddank niet door heeft laten afschrikken: dialect is vooral toch spreektaal.
Daardoor verschilt dialect niet alleen van streek tot streek – misschien zijn er wel meer verschillen dan overeenkomsten tussen het Betuws en het Maas enWaals­maar ook van dorp tot dorp ( het is ‘ school’ in het Dreumels, maar ‘ schôl’ inWamel en een Dreumelse
lae:rs
( laars) heet ěn dat buurdorp
lččrs)
– en zelfs, lijkt het, binnen een dorp.
De Jong is ook de eerste die dat toegeeft. ‘Dit werk is niet hét Dreumels woordenboek, maar meer míjn Dreumels woordenboek. Onmiskenbaar zijn er invloeden van buiten in geslopen. Mijn moeder was immers een Oudforse (Altforstse, red.), ik woonde zes jaar in Alphen en al weer dertig jaar in Varik’.
‘En dat is ’, concludeert De Jong, toch goed opletten: ‘Want hier zeggen ze bijvoorbeeld dae schil en
dae gao nie,
terwijl dat in Dreumel
dae schčl
en dae gee nie is’.
Witte gij de weg naor Alphe? Dačn hedde veul kalk nodig!

De invloeden uit z’n Alphense tijd zijn bij De Jong onmiskenbaar aanwezig. Zijn Dreumels oogt vaak wat Brabants, zoals Alphens dat logischerwijs ten opzichte van Dreumels doet: het ligt immers alleen maar aan de Maas en niet, zoals Dreumel, aan de Maas én deWaal. Zo heeft De Jong het over rűtsel en
tűffelke,
zoals ze in Alphen over Dreumelse raodsel en tao: fel praten en in ABN over raadsel en tafeltje.
Maar ook het Variks ligt De Jong soms op het puntje van z’n tong.
Zo zal geen Dreumelnaar het, zoals hij, hebben over een schôltje, waar in plat Dreumels een schęulleke (schaaltje) wordt bedoeld.
Maar echt plat Dreumels kent de Jong ook. En hoe! Schotteslaet
(vaatdoek), scholk (schort), stae:j
( gehavende plek fruitschil), wau­welbaen
( wie onzin praat) en duk
(vaak). En wat te denken van paep­muts
(paardenbloem), prunselke
( tas), taes ( broekzak) stik (steil)
rondumme
( boterham) zwik (veel).
Allemaal woorden waar je buiten Dreumel niet ver mee komt.
Witte wae sunt is? Goei botter aon oew kont smčre en dreug brood frčte. Daes sunt.
Hoewel het de echte Betuwenaar weinig moeite zal kosten dat Dreumelse gezegde te vertalen, doen we dat voor de andere lezers hier toch maar even: ‘ Weet je wat zonde is? Roomboter aan je achterste smeren en droog brood eten.’ Ze zijn toch prachtig, die gezegdes. En dan vooral in dialect. In het ABN verliezen ze vaak wat smaak.
Het sterkst is De Jong in zijn boek ook met die uitdrukkingen en gezegdes, hoewel lang niet altijd dui­delijk is of ze echt heel specifiek Dreumels zijn, of dat ze in de regio ook wel worden gebezigd.
Minder is dat meer dan de helft van zijn bijna tweehonderd pagina’s tellende boek, bestaat uit werkwoorden in al hun mogelijke Dreumelse vormen. Interessant, wellicht, voor een dialectoloog, er is geen gemiddelde lezer die dat de volle 115 bladzijden die De jong ervoor gebruikt, uitleest.
Pas helemaal achterin het boek waagt De Jong zich schoorvoetend aan wat verhaaltjes -het zijn er niet meer dan vijf- in het dialect.
En dat is pas écht jammer. Want hij kan best vertellen. Vooral zijn dialoog met de rivier deWaal (verzin het maar), rondom de evacuatie vanwege het hoogwater in 1995, is er een om te zoenen.
Nico de Jong is er de man niet naar om te denken dat hij de wijs­heid in pacht heeft. Hij roept de lezers op om op- en aanmerkingen te melden, zodat hij ze eventueel in aanvullingen kan verwerken.
De Jong geeft ‘ Mijn Dreumels’ in eigen beheer uit. Dreumelnaren kunnen het voor vijftien euro via
bestellen, buiten Dreumel kost het €22,50.
Nog eentje dan, zoals we in het Dreumels zouden zeggen, um’t af te lere: van ouders die zich machteloos voelen als ze zich zorgen maken of hun dochter veilig vrijt: ‘ ge kun te paet t’r toch nie vur haauwe’.

 

Zie ook op de website van Dreumel