Door CAMIEL SCHREUDER
OCHTEN - Hij sloopte woningen en schiep natuur. Hij zorgde voor
veiligheid, maar ook voor onrust. Jan van Rijnsbergen neemt na ruim dertig jaar
dijkverbetering afscheid.
'Toen ik begon bij het Polderdistrict
Tielerwaard, was het nog maar een kleine organisatie. Als ik midden in mijn
werkgebied stond, tussen de Linge en de Waal, dan kon ik aan beide kanten het
einde zien. Dat is nu wel anders. Toen waren er honderden polderdistricten, nu
26 waterschappen.
We hebben het vaak over het hoogwater van 1995, maar we zijn al eerder aan een
ramp ontsnapt. In 1970, de Bommelerwaard. Sindsdien ben ik altijd bezig geweest
met dijkverbeteringen. En als ik terugkijk dan hebben we dat niet altijd goed
gedaan. Het werd een soort heilig moeten: er moest een dijkverzwaring komen.
Maar we drongen daarbij onze eigen plannen een beetje aan de mensen op, hielden
weinig rekening met wat anderen vonden van de natuur-, landschaps- en
cultuurhistorische waarden van een gebied. We namen het wel op in de plannen,
maar het was ónze kijk daarop.
Als we in die tijd een idee hadden, dan waren we daar maar moeilijk vanaf te
brengen. Wij wisten immers wat goed was voor de mensen. We begrepen niet altijd
dat mensen er een andere mening over hadden. We deden het toch voor hen?
Maar ik heb me er nooit over verbaasd, over die tegenstand. Je zit aan de
persoonlijke eigendommen van mensen. Dan kun je het beste met iemands veiligheid
voor hebben, maar als je daarvoor een huis moet slopen, dan is het terecht dat
die mensen eerst denken aan hun eigen belang.
We hebben nog best gevaarlijke situaties gehad. Ik stond in 1995 bij Heesselt op
de dijk. Dat liep parallel aan Ochten, maar we hebben er bewust voor gekozen om
toen niet de publiciteit op te zoeken. Ochten werkte ook een beetje als
bliksemafleider, zodat wij rustig konden werken. Maar de dijk dreigde daar wel
degelijk te bezwijken en de golven sloegen over de dijk.
Ruim honderd man van de ME hebben tienduizenden zakken zand versleept. Het was
moeilijk om ze onder commando te krijgen, maar ze werkten als leeuwen.
Later hebben we anders gewerkt. We waren de enige in Nederland die de
dijkverzwaring zelf uitvoerde. We maakten de bestekken, de plannen, deden de
grondaankoop. We namen er speciaal mensen voor in dienst. Dat zorgde ervoor dat
we op tijd klaar waren en binnen de kosten, maar we hadden ook veel meer contact
met de mensen langs de dijk.
En dat vond ik ook het mooiste in dertig jaar waterschap. Ik weet nu precies hoe
het water werkt, hoe een dijk in elkaar zit en wat de techniek erachter is, maar
het mooiste vond ik het contact met de mensen. Samen nadenken over een plan, in
discussie gaan, bij de mensen op bezoek gaan en dan een besluit nemen. Ik ben
ook met alle milieubewegingen de dijk op gegaan. Met sommigen heb ik wel een
hele dag over de dijk gereden.
Natuurlijk kun je het nooit iedereen naar de zin maken, en er zijn best wat
woningen gesloopt. Het was spitsroede lopen, maar ik kan iedereen recht in de
ogen kijken.
Ik ben nu wel bang dat de aandacht verslapt. Hoe belangrijk ons werk ook is, je
bent toch een beetje afhankelijk van de situatie. De dijkverbetering na 1995
konden we snel uitvoeren omdat het bewezen noodzakelijk was. Dat moeten we nu
met Ruimte voor de Rivier nog maar eens zien.
Het is een heel theoretische discussie nog, omdat we het hebben over mogelijke
toekomstige problemen. Daar krijg je een gewone burger niet snel mee op de been.
We hebben het over een theoretische afvoer van zestienduizend of achttienduizend
kubieke meter water per seconde bij Lobith. Dat zegt niemand iets als het niet
tegen de kruin van de dijk klotst. We zullen in Nederland heel creatief en
duidelijk moeten zijn willen we draagvlak krijgen voor deze maatregelen. Na een
bijna-ramp leeft de interesse altijd op, maar daar mag je niet op hopen. Zo lang
het water laag blijft, is de aandacht er ook niet. Maar ik laat het wel veilig
achter. De dijken zijn zo'n één tot anderhalve meter hoger geworden, dus het
alarmpeil van 1995 kan rustig langskomen. Daarvan worden we niet meer
zenuwachtig."