Devotie is zuster Desirée vreemd
Door BETTIE ARENDS
ZUSTER MARIE - Desirée is een moderne non. Ze ging het klooster in omdat 'het de
enige manier was voor een vrouw om te emanciperen'. De Varikse roemt de
betrokkenheid van de mensen om haar heen.
Ze hoort het haarzelf op 4 januari van dit jaar
nog zeggen: 'Ik zie het in het kader van het 125-jarig bestaan van de kerk als
een uitdaging om 25 jaar koor en kerk op schrift te stellen'. Zuster
Marie-Desirée van de Heilige Petrus en Pauluskerk in Varik vertelt het meerdere
keren. "Ik dacht: Desirée wat doe je nou toch? Het was overmoedig."
Hoeveel hoofdbrekens kostte haar niet het werk voor Koppeltekens, een boek over
het doktersechtpaar Van de Koppel, aan de hand van twintig interviews met mensen
die het echtpaar goed kenden. Twee jaar geleden kwam het uit in een oplage van
duizend exemplaren. Ze schreef het samen met Koos Gelens uit Ophemert. Hij is op
haar dringend verzoek aanwezig bij het gesprek.
Ieder mens krijgt graag aandacht, maar om nou zo op de voorgrond te treden, dat
wil ze niet. En dan nog wel met foto. Ze probeert nee te zeggen, maar de
fotograaf is al onderweg en Gelens spoort haar aan. "Stel je niet aan, werk
gewoon mee."
Onderweg naar de kerk voor de foto vertelt ze dat ze een volkstuin van zeven bij
25 meter heeft, waar ze de bloemen kweekt voor het versieren van de kerk. "Dan
zien de mensen mij hier lopen met klompen aan, schort voor en hoofddoek om."
De volkstuin is een uitkomst, want hoe komt ze anders aan bloemen voor de kerk
nu ze niet meer woont in de pastorie met grote tuin. Daar woonde ze nog een half
jaar toen pastoor Van Drunen overleed, dat is nu zes jaar geleden.
Na zijn overlijden was ze het liefst teruggegaan naar de congregatie. Niet weer
het klooster in, maar met enkele andere zusters samen in een huis. En dan
doorgaan met het werk wat ze altijd al deed en doet: klaarstaan voor de
medemens. Het medeleven van de parochieleden zorgde ervoor dat ze in Varik
bleef. Ze woont in een huisje dicht bij de kerk, die haar zo dierbaar is.
Ze werd in 1930 geboren als Maria Peulen en groeide op in een gezin met negen
broers en zussen.
Na de lagere school ging ze naar een internaat in Venlo, waar ze bij de nonnen
('er zaten hele reële bij') de kans kreeg om te studeren: mulo en daarna
kweekschool. Ze kwam al snel voor de klas te staan. Ze woonde weer thuis, tot ze
op haar 24e de stap nam het klooster in te gaan. "Om sociaal-maatschappelijke
motieven, niet zo zeer religieuze." Hoewel dit wel een grote rol speelde, geeft
ze toe. "Thuis zagen ze dit helemaal niet zitten. Ze waren bang dat ik mijn
ongeluk tegemoet ging. Ze gaven me allerlei boeken waarin beschreven stond hoe
vreselijk het daar wel niet was. Maar die waren natuurlijk geschreven door
nonnen die uitgetreden waren."
Het klooster ingaan was voor haar geen opoffering. "Nee, nee. Je zoekt altijd je
geluk, voldoening in het leven. Het klooster gaf je als vrouw de kans om te
studeren, het was een manier om te emanciperen." Ze herinnert zich nog het
grijze tweed mantelpakje met rode blouse, die ze aan had toen ze binnen kwam in
het klooster in Steijl bij Venlo. Ze wist waar ze voor koos, door het leven op
het internaat.
In de twee jaar die volgden schrobde ze de vloeren, deed braaf de
boete-oefeningen en nam deel aan wat ze nu 'infantiele devotiepraktijken' noemt.
Gelukkig zijn ze afgeschaft, zegt ze. "Ik heb veel plezier gehad in het
klooster. We waren van na de oorlog, vrijgevochten, we beseften dat burgerlijke
ongehoorzaamheid een deugd was. Ik genoot van de feesten en de voordrachten."
Ze lacht ondeugend: "Op de bogen in de lange gangen stonden teksten. 'Ik ben
gekomen om een offer te zijn'. Wij gingen zo staan dat een deel wegviel achter
een lamp en dan las je: 'Ik ben gek om een offer te zijn'."
Na twee vormingsjaren -'ik zeg wel eens misvormingsjaren'- was ze zuster van de
Goddelijke Voorzienigheid. "Het hoofdbestuur zit nu in Brazilië."
Ze vertrok naar het klooster in Utrecht, bij de Lutgeruskerk, gaf twintig jaar
les aan kinderen in de Geuzenwijk, toen nog een achterstandswijk. Een 'gebrek
aan recrutering, aan bevrouwing' dwong de kloosterorde in 1975 tot verkoop van
de gebouwen. Tot 1977 woonde ze bij vier andere nonnen. Ze bleef lesgeven.
Pastoor Van Drunen kende ze vanuit het klooster in Utrecht, waar hij een kamer
had, hij gaf colleges aan de universiteit. Hij was bovendien een ver familielid
van haar. Toen hij in Varik pastoor werd, trok ze bij hem in. "De betrokkenheid
van de mensen hier was een grote verrassing, werkte heel stimulerend. Dat kende
ik buiten het klooster niet zo. Ik voelde me een als een vis in het water. Dan
zeggen de mensen: 'dat doet u', 'nee', zeg ik, 'dat is een wisselwerking'.
Meteen al werd een feestcomité gevormd voor het honderdjarig bestaan van de
kerk, een half jaar later."
Terwijl pastoor Van Drunen wis- en natuurkunde gaf op een middelbare school in
Vught, gaf zij Nederlands en Frans op een mavo in Den Bosch. Allebei een
fulltimebaan, wat ook nodig was voor levensonderhoud en het onderhoud van het
grote huis, de pastorie naast de kerk, waarin ze woonden. Zij kookte, deed het
huishouden, de kippen, was al snel dirigente van het kerkkoor en zorgde en zorgt
nog telkens voor fraaie bloemstukken in de kerk.
"Pastoor zorgde voor de groentetuin en deed de boodschappen." Hij was beroemd om
zijn korte preken. In drie minuten zei hij met weinig woorden, meer dan een
ander in een half uur.
Dat ze ging samenwonen met een man in één huis, daar werd niet over gekonkeld in
het dorp, is haar stellige overtuiging. Als de vraag wordt gesteld, steekt ze
haar hoofd fier omhoog en zegt streng en oprecht: "Dat was niet aan de orde. De
mensen hadden respect voor je. Bovendien waren ze eraan gewend dat de pastoor
een huishoudster had."
Daarna geeft ze toe dat het congregatiebestuur wel jaren aanhikte tegen deze
beslissing. 23 jaar woonden ze samen. "Ik stond bekend als de bitch op de
pastorie." Maar ondertussen regelde ze alles, soms zelfs duwde ze de pastoor een
briefje in de vingers met hoe de mis eruit moest zien voor de volgende dag. "Als
ik er niet was geweest, was alles in het honderd gelopen", zegt ze overtuigd.
Het gezinsleven heeft ze nooit gemist. "Helemaal niet", zegt ze, terwijl ze haar
hoofd opheft en haar rug recht. "De nadelen heb ik nooit overwogen. Ik deed waar
ik zin in had. Later denk je wel eens: ik had nu ook oma kunnen zijn, maar...
Kinderen hier in de straat noemen we wel eens 'klein omaatje', dat is helemaal
geen scheldwoord."
Ze zwemt graag en 'ze noemen me wel de fietsende non'. "Het leven komt op me
af", zegt ze, bijna verbaasd, over de activiteiten waar ze inrolt. De openbare
basisschool in Haaften hoefde niet lang te zoeken naar iemand die
catecheselessen wilde geven. De Stichting Welzijn Ouderen Neerijnen klopte niet
tevergeefs bij haar aan. Ze rijdt nu voor Tafeltje Dekje en schrijft voor het
kwartaalblad 't Senioortje. Ze zat in de cliëntenraad van zorgcentrum Westlede
in Tiel. En tussendoor geeft ze Franse les.