De burgerlijke gemeente omvat
de dorpen Heeselt en Varik, gelegen in den
zuidoostelijken hoek van de Tielerwaard, aan den
noordoever van de Waal.
Heeselt.
j.
anspach, heesselt,
in: maandbl. ned.
leeuw XIII, blz. 99, 121.
Esola en Hesola in 850; Hesle in 1250; Hesel
in 1276 e.v. Zie:
nomina geogr. III, 126.
Het dorp wordt voor het eerst vermeld in 850
(bondam's
Charterboek, 28b.
sloet,
Oorkondenb. no. 41). In de 13e
eeuw was het reeds een bijzondere
Heerlijkheid, in het bezit van het geslacht
van Rossem. In 1291 behoorde het gericht van
Heeselt, met het veerschip, aan heer Gerhard
van Rossem. Later, in de 14e eeuw, kwam de
heerlijkheid aan het geslacht De Cock van
Opijnen. Het geslacht van Heesel schijnt
geen betrekking tot de heerlijkheid te
hebben gehad (v.
spaen, Inleiding, III, blz. 296).
Kerk.
De thans Ned. Hervormde
kerk, is met haar toren in eigendom en
onderhoud bij de Ned. Hervormde gemeente.
Bisschop Ludger ontving bij
oorkonde van 12 Augustus 850 in precarie
o.a. Hesola (sloet,
Oorkondenb. no. 41). De kerk
behoorde sindsdien aan den Domproost van
Utrecht, en, sinds 1250, aan het kapittel
van St. Marie aldaar. Sinds 1618 is de kerk
gecombineerd met Opijnen (joosting
en muller,
Bronnen, II, 420).
Het kerkje ligt vrij aan den
voet van den Waaldijk. Het schip is in 1849 in
neo-gothischen trant opgetrokken tegen den
bestaanden toren van een oudere kerk (afb. 386).
Tegen de noordzijde van het schip is in 1887 een
nieuw portaal aangebouwd.
De met kleine
baksteen geheel nieuw ommetselde toren bestaat
uit drie geledingen, met viermaal versneden
overhoeksche steunbeeren. Tegen den
zuidoostelijken beer is een ronde traptoren
uitgebouwd, opgaande tot onder de derde geleding
en gedekt met een half-achtkant pyramidedak. Aan
de westzijde van de onderste geleding een
korfbogige ingang; in de tweede en derde
geleding aan iedere zijde spitsbogige
spaarnissen, in de bovenste waarvan
[p. 448]
rondbogige galmgaten. De toren
wordt bekroond door een ingesnoerde achtkante
houten spits, met leien bekleed.
Afb. 386. Ned. Hervormde kerk
te Heeselt van den Waaldijk uit het Z.W.
gezien.
Voor zoover de ommetselde
toestand een oordeel toelaat, moet de toren,
afgaande op de algemeene vormen, dagteekenen
uit het einde van de 15e eeuw, of uit ±
1500.
Varik.
-p.j.
blok, Dagelijksche heeren van Varik,
in: Handelingen en Mededeel. van de Maatij
der Ned. Letterkunde, 1898/99, blz. 135.
-
Veldricke in 997; Valdrike in 1217;
Vayderick in 1383; Varick in 1492 e.v. Zie:
nomina geogr.
III, 257-258. - Omtrent de vormen Vauderick
of Vanderick en Waurick zie men ‘gelre’,
V, blz. 368, VI, blz. 110, en XXII, blz.
255. - Bij
oorkonde van 27 October 997 schonk keizer
Otto III aan een op den Luisberg bij Aken te
stichten klooster o.m. ook Veldericke
(Varik), hem door de weduwe Alda opgedragen
(sloet,
Oorkondenb., no. 118). Nog in
1189 bestonden deze betrekkingen tot Aken,
toen tusschen proost en broeders van het St.
Adalbertstift aldaar een overeenkomst sloten
betreffende inkomsten der goederen te Varik
(Waldrich), waarbij een vermindering daarvan
ingeval van overstrooming onder het oog werd
gezien (sloet,
Oorkondenb., no. 375). Varik was
als dagelijksche heerlijkheid langen tijd in
het bezit van het geslacht Van Varick. Zoo
wordt in 1276 Alardus, Judex de Valdericke
vermeld, en ridder Swanus van Vanderick
bezat vóór 1276 een huis te Tiel. Ridder
Steeske van Vanderick was in 1343 heer van
Varick. Goossen ‘zich noemend heer van 't
laag gericht van Varick’ komt in 1357 voor.
Deze, die ook als Goeswinus de Vanderick
wordt vermeld, in 1366 en in 1372 (cronicon
tiel. pp. 376, 386), is de eerste
meer bekende Heer uit dit geslacht [p. 449]
(slichtenhorst,
VII, blz. 145 noot). Hendrick wordt als heer
van Varik vermeld in 1394. Zijne dochter
bracht de heerlijkheid aan haar echtgenoot,
heer Walraven van Haeften. Later kwam zij,
door erfenis, achtereenvolgens aan de
geslachten van Aeswijn, van Dorth en van
Stepradt.
Het huis van Varick was onderscheiden van de
heerlijkheid en werd door Aleyda van Varick
aan haar man, heer Gerbrand van Beest
gebracht. Hun kleinzoon Gerbrand werd er in
1403 mede beleend. Bij erfenis kwam het huis
in het bezit, eerst van het geslacht Horst
tot Nederhorst en daarna in dat van Zuylen
van Nyevelt (v.
spaen, Inleiding, III, blz. 298).
Kerk.
Afb. 387. Varik. Toren der
Ned. Hervormde kerk uit het Zuid-Westen,
vóór de restauratie in 1939-40.
De thans Ned. Hervormde
kerk ligt aangebouwd tegen den voet van den
Waaldijk. Zij is in eigendom en onderhoud bij de
Ned. Hervormde gemeente. De toren is eigendom
van de burgerlijke gemeente.
De kerk was in 1250 nog een
appendix van Heeselt en behoorde als
zoodanig aan het kapittel van de St.
Mariakerk te Utrecht. Goossen van Varick,
Alardszoon en Goossen, heer van het laag
gericht van Varik (zie boven) sloten in 1357
een verdrag met genoemd kapittel over het
onderhoud van de kerk (v.
spaen, Inleiding, III, blz. 297). Zij
is na de Hervorming tot 1660 gecombineerd
geweest met Ophemert (joosting
en muller,
Bronnen, II, blz. 420).
Van de oude kerk staat nog
slechts de toren, waartegen in 1879 een nieuw
schip is opgetrokken.
De toren, in
plattegrond binnenwerks metend 4,70 × 4,70 M.,
heeft aan den voet een muurdikte van 1,80 M.
Tegen de zuidzijde is een [p. 450]
half-achtkante traptoren uitgebouwd (afb. 387).
Hij bestaat uit drie geledingen, waarvan de
onderste van tufsteen, de middelste van
afwisselende lagen bak- en tufsteen en de
bovenste geheel van baksteen is opgetrokken. In
de onderste geleding bevindt zich aan de
westzijde een hooge nis met een korfbogigen
ingang, en daarboven een baksteenen vulling,
waarin in 1911 een spitsbogig venster is
gebroken. In de noord- en zuidzijde dezer
geleding zijn spitsbogige spaarnissen gemetseld,
welker bogen in het midden neerkomen op
kraagsteenen met kopjes. De tweede geleding
heeft aan elke zijde twee blanke spitsboognissen
met middenstijlen en, in de koppen, sporen van
vroegere traceeringen. In de bovenste geleding
zijn aan elke zijde twee spitsbogige galmgaten
aangebracht. Aan de zuidzijde ontbreekt het
oostelijkste galmgat, op welks plaats de
afdekking van den traptoren tegen den muur
sluit. Een ingesnoerde achtkante houten spits,
met leien bekleed, vormt de bekroning.
Inwendig is de
voormalige benedenruimte in 1911 door een vloer
in twee ruimten verdeeld, waarvan de bovenste
als vereenigingslokaal dienst doet.
Afb. 388. Varik. Preekstoel
in de Ned. Hervormde kerk.
+
De onderste geleding is kennelijk het oudste
gedeelte en een overblijfsel van een
vroegeren toren. De wijze waarop de
traptoren een deel van de spaarnissen aan de
zuidzijde bedekt, bewijst dat hij later is
opgetrokken, toen de tweede geleding hare
tegenwoordige gedaante kreeg. De lage
bovenste geleding tenslotte vertegenwoordigt
blijkbaar een derde periode.
De bouwgeschiedenis is waarschijnlijk deze,
dat men omstreeks 1300 den toren heeft
gebouwd, waarvan de geheel tufsteenen eerste
geleding een overblijfsel is. De muurnissen
en kopjes doen dezen tijd onderstellen.
Omstreeks 1400 zal de tweede geleding
verbouwd zijn, waarna tegen 1500 de bovenste
geleding is aangebracht, blijkens de vormen
en profileeringen van de galmgaten. In 1844
kreeg de toren een nieuwe spits. Bij de
verbouwing in 1911 werden de tot dan toe
aanwezige overblijfselen van een
kruisribgewelf over de benedenruimte
gesloopt. De toren is thans in restauratie.
De kerk bezit:
+
Een eenvoudige eiken preekstoel met het jaartal
1660 (afb. 388).
+
Een groote blauw geverfde zerk, waarin de figuur
van een edelvrouw is gehouwen, met het
randschrift: ‘Va(n) Varick vrou tot Siwerde Ao.........[p.
451] sterf Jocfrow Lutgart
va(n) Varick subpriorse tot Siwerde A.........
Sterf Jofrou Claer v. Varick.
Deze zerk is afkomstig uit
het voormalige klooster Mariënschoot te
Zennewijnen, waarvan zij den naam eener tot
dusver onbekende subpriores vermeldt. (Zie:
6e Jaarverslag der Rijkscommissie tot het
opmaken en uitgeven van een inventaris enz.,
1908, blz. 21-22). Blijkens de kleedij der
vrouwefiguur moet de zerk dagteekenen uit
omstreeks 1550.
Voorts de volgende zerken,
liggend in den vloer van een in de kerk gebouwd
woonvertrek:
Een met het opschrift: ‘Hier legt
begraven Vrouwe Alida De Reus Huysvrouw van den
WelEd. Gestr. Heer Matthias Spillenaar Vrijheere
van Leede en Oudewaard Hoogheemraad van den
Thielerwaard. Obbit (sic) 25 November
1773 oud 40 Jaaren’.
Een met het
opschrift: ‘Hier legt begraven den Weled.
Gestrenge Heer Matthias Spillenaar in leven
VrijHeere der Hooge Heerlijkheden Leden en
Oudewaard’, enz. enz. ‘Misgaeders rentmeester
van het Hoogadelijk stift van Zennewijnen. Obiet
(sic) 21 Nov. 1788 oud 54 jaeren’.
In den toren
hangt een klok (middellijn: 0.83 M.) met in den
bovenrand, in Romeinsche hoofdletters, het
opschrift: ‘Ter eren Godes is dese clock tot
Varick bestelt bij Vrouw Maria van Dorth vrouwe
tot Bodendaal in Dornyck en Varick neffens hare
dochters joffrouwen Catherina ende Reinera van
Stepraed. Anno 1637’.
In den
benedenrand: ‘Jonckheer Johan van Dorth ende
Hendrick van der Horst daertoe den clepel
gegheven. Derick van der Horst. Peter van Trier.
Jan Philipsen Me fecit’.
Molen.
Ongeveer 300 M. ten Noorden
van de kerk staat een korenmolen;
baksteenen bovenkruier met stelling en houten
binnenwerk, in 1867 gebouwd ter vervanging van
een standerdmolen.