Begin jaren veertig heeft
Gerard van de Geijn op de lagere school in Varik een opstel geschreven over het
ontstaan van de naam VARIK
“in de tijd dat de dieren nog praten konden”, een soort sprookje dus.
VARIK
Heel
lang geleden, toen de dieren nog praten konden, waren de winters veel strenger.
In de maand januari van dat jaar vroor het wel drie weken achter elkaar zo hard,
dat iedereen verwachtte dat de Waal zou gaan ‘zitten’. Er dreven dikke grote
ijsschotsen in de rivier en als het er nog meer zouden worden kon zich een
ijsdam gaan vormen en zou alle ijs dat stroomafwaarts kwam zich ophopen.
Boven de Waal vloog
op een dag een grote kraai. Hij had er moeite mee om tegen de straffe ijzige
wind in te vliegen. Hij zag de schotsen onder zich en besloot daar even op uit
te rusten. Hij streek neer op een grote schots, afremmend met zijn fladderende
vlerken. Toen hij goed en wel stevig stond en om zich heen keek riep hij met
zijn krassende kraaienstem uit: “Vaar ik?” Het dorpje waar hij op dat moment
voorbijvoer heet sindsdien VARIK